Lidwien's profiledaantjes avonturenhoekjePhotosBlogListsMore Tools Help

Blog


    February 20

    Gemengde gevoelens

    Gemengde gevoelens

    Zingen in Birkenau? Nu ik hier na dertien jaar weer terug ben, in wat de resten zijn van waartoe de ‘beschaafde wereld’ op haar dieptepunt toe in staat was, ben ik er nog niet over uit. Wat moet, kan of mag ik daarvan denken? Waar moet ik met mijn gevoelens heen die overgeleverd zijn aan een op hol geslagen achtbaan. Zingen is leuk en bevrijdend, maar nu even niet.
    De natuur was er op deze negende mei eerlijk gezegd ook niet geheel uit. Wolken, zon, regen of wind, het was om het even, maar wel stiekem met de natuureigen timing. In ieder geval zag de ‘Tsoekoenft’ er niet zo rooskleurig uit zoals het gelijknamige lied wil doen hopen. Ritmisch stort de regen neer op de haag pluutjes om zo ongeveer gelijktijdig met het einde van het lied te stoppen. Toeval? Vogels die stil worden van ‘O koem sjoin sjtiller Ovent’. Toeval? Doorbrekende zonnetjes. Veel emoties en tranen. Zeker geen toeval.

    Vijfenzestig jaar geleden, om precies te zijn op 29 juli 1942, moet even buiten de poort van Birkenau Joseph Nikkelsberg met zijn moeder de laatste weg zijn gegaan naar het kleine rode- of kleine witte huis. Twee dagen daarvoor was hij op zijn 4e verjaardag op transport gezet naar het oosten. Telkens als ik de datum op de site Joods monument zie denk ik; ‘Gelukkig’ was hij samen met zijn moeder en was hij misschien minder bang. Maar wat moet er werkelijk door dat jongetje en zijn moeder zijn heengegaan toen ze hier even verderop uit de trein stapten? Zou ik ze hebben proberen te redden als ik toen geleefd had en ook hun bovenbuurvrouw zou zijn geweest?
    Hun namen wil ik noemen en ook de naam van de ouders van een Auschwitzoverlevende die ik persoonlijk ken, maar de woede en verdriet zijn me werkelijk teveel. Alles doet me pijn en en verward me omdat ik niet goed besef waar die golven vandaan komen. Daarnaast voelt het als ongepast. Het is niet mijn familie en toch voelt het als een intens persoonlijk verlies dat dwars door mijn hart trekt, terwijl ik omringt ben door mensen van wie de genoemde namen hun onbekend gebleven neven, nichten, ooms, tantes, opa’s en oma’s waren.

    De woede doet me herinneren aan mijn puberjaren. De altijd weer rond 4 mei oplaaiende boosheid naar mijn ouders toe. ‘Het is sodeju toch jullie oorlog? Waarom hebben jullie dit kunnen laten gebeuren? Waren jullie dan blind? Waarom val je me lastig met dat verleden waar je het ook maar nooit echt over hebt? Ons vader zei dan dat ik maar naar de beelden van Vietnam moest gaan kijken als ik wilde weten wat oorlog was. Altijd weer het gevoel dat je niet teveel mocht klagen want je had De Oorlog immers niet meegemaakt. Wat hadden zij dan voor oorlog meegemaakt? Grote lafaards waren het in mijn ogen.
    Altijd je bord leeg eten en je kon geen honger hebben, maar trek. Nee, ze waren niet fout geweest zoals dat heet, maar waren gewoon zoals de grote massa was. Het leven ging, hoe wrang ook, ‘gewoon’ door en na de bevrijding was het plan om hard te werken en alles wat er was gebeurd zo snel mogelijk te vergeten en op 4 mei te herdenken. Mijn ouders zijn nu overleden en naast wat anekdotes bestaat de tastbare herinnering uit een op wc-papier geschreven briefje van ons vader uit de gevangenis om te zorgen dat zijn fiets veilig werd gesteld, het PB van ons moeder en de foto’s van familieaangelegenheden. Mijn neven speelden in de oorlog soldaatje, compleet met helm en houten geweer. De datum zegt juli 1942. Ondertussen werd mijn toenmalige benedenbuurjongetje met zijn moeder en vele anderen vergast. Zij en hun nazaten hebben helemaal niets meer, behalve herinneringen en een wond die nooit echt zal helen. En is de wereld van nu dan anders? Hebben de mensen ervan geleerd?  Toen de beelden van Srbrenica mijn huiskamer binnenkwamen zat ik met een bord op schoot.

    Ondertussen slaat de donder en de regen op het dak van de herdenkingsbarak in Auschwitz I. De kaarsjes branden en een bijna eindeloze reeks met namen wordt genoemd. Voor mij de essentie van de Joodse verjaardagswens dat je 120 mag worden. Iedere genoemde naam leeft op dat moment in het hart van de spreker of spreekster. De plechtigheid is sober en laat niemand koud. Ik wil er weg, zo snel mogelijk. Mijn emoties zijn me veel te beangstigend.
    Woest stap ik door de plassen richting barak 10. Mevrouw H. heeft hier gevangen gezeten. Ik sta voor de deur en kijk door het raam naar binnen en zie een uitgesleten stenen trap. Hier verbleven zo’n driehonderd jonge vrouwen die aan de ‘lusten’ van Clausberg werden overgeleverd. Sterilisatie was zijn specialiteit. Hier waren dus de ‘heren’  van het rode Kruis op inspectie langs gekomen en hier waren ook de meisjes in de ban van een jonge bewaker van achttien jaar oud. “We maakten zelfs cadeautjes voor hem. Hij stuurde niet de hond op ons af en liet ons wel eens zwemmen als we buiten het kamp waren”, zo hoor ik mevrouw H. het me nog vertellen in haar keuken.
    Ondertussen komt een groep scholieren voorbij die op verplichte excursie zijn. Giechelend om de waanzin te bezweren.

    Het zingen ging niet echt van een leien dakje. De sluizen gingen bij ‘Eli, Eli’ letterlijk open. Het is toch knap dat we ons er met zijn allen doorheen geslagen hebben. Geen idee of het klopt, maar ik had zelf het gevoel dat een aantal liederen zelfs tot in de tenen zo mooi hebben geklonken alsof er meerdere stemmen waren dan die van het koor alleen. De lucht, de glinsterende bomen, de ruisende wind. Ze zongen allemaal mee.
    Later in de bus vraag ik met een ander jonkie af of de waanzin beter te begrijpen is als je het summum van de beschavingshel hebt bezocht. Het lijkt me of enig begrijpen of een moment van snappen nog verder verdwijnt en de antwoorden op de vragen met zich meeneemt om plaats te maken voor de woede, verdriet en schaamte.
    Veel later is er een heel klein gevoel van trots. De Jiddisje wereld is vermoord, maar het ‘Mir zainen do!’ klonk bijna als een opgestoken vinger.

    In mijn drang om het hele kamp doorgelopen te hebben om de hel als het ware letterlijk te kunnen bevatten, moet en zal ik nog even een stenen barak van het voormalige vrouwenkamp in. De schrik slaat me om het hart als ik in de kilte stap. Zo koud, zo goor, nog erger dan een aftands varkenskot. Zelfs op deze zonovergoten dag is hier het licht gedoofd. Wegwezen hier. Om niet nog een keer de kans te lopen om bijna achtergelaten te worden in het kamp zorg ik dat ik wel op tijd terug ben bij de bus.
    We gaan weer terug naar de huidige tijd. Eten en drinken wil ik. Genieten van wat er nu is. Zingen en dansen. Kortom leven, maar het gaat niet echt. Ik voel me enorm onveilig, wil naar huis. Toch ben ik blij dat we gezongen hebben voor al diegenen die gekend zijn en al diegenen die onbekend zijn. Dat deden we samen met alle achtergronden en verledens die er zijn tot uit de tenen zo mooi. We deden dit voor Bill en men deed het voor ieders afzonderlijke familie en bekenden. Ik deed het ondermeer voor Joseph.